Hiller Raven OH-23

Terug


Door zowel de ervaringen welke tijdens de Watersnoodramp van 1953 met helikopters werden opgedaan als het Verdrag van Chicago, dat verlangt dat schepen in nood boven de territoriale wateren hulp moet worden geboden, was de defensieleiding vastbesloten om de luchtstrijdkrachten verder uit te gaan breiden met een helikoptertype.
De keuze werd ze niet moeilijk gemaakt, aangezien de Amerikanen kort daarna via het MDAP hulpprogramma een aantal Hiller H-23 Raven helikopters in bruikleen aanbood.  
De eerste vijftien Hiller OH-23B Raven helikopters arriveerden in juni 1955.
Het arriveren van de eerste 3 helikopters op 8 juni betekende een mijlpaal voor zowel de landmacht- als de luchtmachtleiding.
Immers, nadat de Marineluchtvaartdienst al veer ervaring in het helikoptervliegen had opgedaan, eerst met de Sikorsky S-51 (sinds 1951) en vanaf 1953 de Sikorsky S-55(UH.19F), zorgde de aankomst van de Hiller OH-23 Raven tenslotte voor de mijlpaal om als eerste helikopter in de inventaris van de landmacht/ luchtmacht te worden opgenomen.
( de toestellen zijn in principe besteld voor de landmacht, terwijl luchtmacht personeel de helikopters vloog en ook onderhield. Daarnaast werden de Hiller helikopters ook ingedeeld bij luchtmacht squadrons).

De onder het MDAP hulpprogramma geleverde Hiller Raven's vormden de primeur van de eerste helikopters voor de Koninklijke Luchtmacht.
De overige 20 machines volgden later in hetzelfde jaar.
Voor het (om)scholen van bemanningen werden de eerste Hiller Raven H-23's in 1955 in gebruik genomen bij de Helikopter Vlieger Opleiding (HVO) op vliegbasis Deelen.
Als instrukteurs fungeerden een 5-tal vliegers, 4 Nederlanders ( o.a. kapitein Meulkens) aangevuld met een ervaren Hiller vlieger van de USArmy(lieutenant Freytag).
De 4 Nederlandse instrukteurs hadden hun opleiding reeds eerder dat jaar in de Verenigde Staten genoten. 
De eerste HVO opleidingsklas startte in juli 1955, kort na de terugkeer van de instrukteurs in Nederland, met de opleiding welke bestond uit een 90-urige opleidingspakket. (theorie en praktijk)
Deze eerste groep was samengesteld uit 6 beroeps officieren- en onderofficieren vliegers.
De opleiding van deze eerste groep duurde tot november 1955.





   
Een aantal Hiller Raven's van de laatste serie werden vrijwel meteen in de opslag geplaatst, deze toestellen werden pas begin jaren 60 in gebruik genomen.
Tenslotte arriveerde in mei 1959 nog een aanvullende Hiller Raven, een unieke machine omdat deze (O-36) qua type enigszins afweek van de overige 35 machines.
Deze O-36 werd dan ook aangeduid als Hiller OH-23C.
Uiterlijk vormde de bollere cabine van deze machine een opvallend verschil met de overige Hiller OH-23B helikopters.
Omdat de kist met de bollere cockpit erg leek op het bestaande Bell-47 model werd deze Hiller ook wel gekscherend de Bell-Hiller genoemd.
De eerste serie operationele Hiller's werden officieel ingezet bij het 298 Squadron, reden om de Hiller's te voorzien van de taktische squadroncode 8A.( De HVO leende helikopters van de operationele squadrons).

Op 1 mei 1956 werden de kisten ook ingedeeld bij het 299 Squadron, later nog gevolgd door het 300 Squadron.
Ondanks het gebruik van de Hillers bij deze verschillende onderdelen behielden de helikopters de zgn "8A" kenmerken op de romp, de taktische code behorende bij het 298 Squadron.

Een ander opmerkelijk feit was dat er zelfs twee Hiller Raven heli's (O-19 en O-22) tijdelijk dienst hebben gedaan bij de collega's het VSQ-8 van de Marineluchtvaartdienst.
Van september tot december 1959 werden de heli's bij VSQ-8 ingezet voor stand-by Search and Rescue diensten.
Zo opereerden deze Hillers ook enige tijd vanaf vliegbasis Leeuwarden, waar ze de door de Marineleiding naar Valkenburg teruggehaalde Sikorsky S-55 SAR helikopters vervingen.
Op Leeuwarden stonden deze heli's op stand-by status voor eventuele calamiteiten die zich voor konden doen op de schietranges van Vlieland (Cornfield) en Terschelling (Jackpot).
Echter, als reddingshelikopter waren deze Hiller Ravens redelijk primitief te noemen.
Naast de geringe ruimte die de helikopters boden( er was capacitiet voor 3 bemanningsleden in de cockpit, gewonden konden aan weerszijden van de heli op stretchers worden meegevoerd) golden de lage snelheid en het geringe vliegbereik als grote tekortkomingen.
De Hillers zijn desalniettemin verschillende keren ingezet in zowel Zeeland als op de Waddeneilanden tijdens strenge winters.
Hierbij verrichten de machines nuttig werk met het vervoer van zieken, passagiers, voedsel en post.
Zo werden de Hillers ook ingezet tijdens de strenge winter van 1955/1956 waarbij voedselvluchten plaatsvonden in de Biesbosch en op de Zeeuwse eilanden.





een zeldzame kleurenopname (van een originele dia)
van een operationele Hiller OH-23B Raven op Ypenburg.
Op deze unieke dia uit 1958 zien we de Hiller

Raven O-33 met de taktische registratie 8A-216.
Duidelijk herkenbaar is de kleine cockpit-

ruimte die plaats kon bieden aan 3 bemannings-
leden.
Boven het cockpitgedeelte zien we de 2 bladige
hoofdrotor. 
Opvallend is de constructie van de aandrijfstang
die van de hoofdrotor schuin naar beneden loopt
via de staartboom naar de 2 bladige tailrotor.
De aanduiding OH-23 Hiller staat voor 
Observation Helicopter, waarmee meteen de
kerntaak van de helikopter is benoemd.
De Nederlandse Hiller Raven helikopters waren

allen voorzien van een egaal legergroene kleur.




Na een ernstig ongeval met een Hiller op 23 oktober 1957 bleek de oorzaak een structural failure van de staartrotor te zijn.
Deze fabrieksfout was aanleiding om alle Hiller helikopters tijdelijk aan de grond te houden voor een extra uitgebreide inspectie.
Uit deze inspecties bleek dat bij nog een aantal andere Hiller Raven's de zogenaamde "T-T-bars" verkeerd door de fabriek bleken te zijn gemonteerd.
Nadat alle kisten grondig waren gecontroleerd en aangepast werd het vliegen met de Hiller weer vrijgegeven.

Op 5 juli 1958 werd t.g.v. het 45-jarig bestaan van de Koninklijke Luchtmacht een grote fly-pass met maar liefst 12 Hiller Raven's( kisten afkomstig van zowel het 298-  als het 299 squadron boven Soesterberg gevlogen; daarvoor hadden de helikopters eerst een bezoek gebracht aan paleis Soestdijk om de Koninklijke Familie daarna naar de festiviteiten op Soesterberg te vervoeren.

Door de ontwikkeling van nieuwe helikopters bleek de Hiller Raven in de eerste helft van de jaren 60 dat het model, in combinatie met de prestaties, sterk aan veroudering onderhevig was.
De tekortkomingen werden tijdens operationele opdrachten voor lucht- als landmacht steeds merkbaarder; zo had de machine geen main-rotor-break, beschikte het over een te lage motorcapaciteit, vormde de geringe brandstofinhoud (vooral bij oefeningen naar La Courtine in Frankrijk) een groot obstakel, de machine bleek na testen ongeschikt als reddingshelikopter en het sleutelwerk aan de 200pk Franklin 6V motor nam hand over hand toe.
Ook het uitlijnen van de staartrotor vergde een dosis precisie dat veel tijd kostte.   

Nadat in 1964 bij de Sud Aviation fabrieken in Frankrijk een bestelling werd geplaatst voor de levering van de eerste 21 Alouette III helikopters werd het einde van de operationele periode van de Hiller Raven H-23 ingeluid.
In augustus 1964 volgde de laatste deelname van de Hillers van het 298 Squadron aan de jaarlijkse legeroefeningen van de 4e Divisie in Hohne in Duitsland, waarna ze kort daarna definitief bij het Onderhoud- en Materieel (O & M) Squadron werden ingeleverd.


Op 11 augustus 1965 vond de officiele laatste operationele vlucht met een Hiller Raven plaats.
De overgebleven helikopters werden daarna ,zoals het behoord na een huurperiode, weer ingeleverd bij de US Army.
Op Soesterberg was daarvoor een speciaal depot van de MAAG, de U.S. Disposal Unit, ingericht om de heli's te demonteren en verzendklaar te maken voor transport naar het centrale US Army depot op Corpus Christi, Texas in de Verenigde Staten.

Dankzij luchtmachtofficier majoor A.J. Marinus, die bij de Amerikanen een verzoek indiende voor het behoud van de unieke Hiller Raven OH-23C O-36 om als monument bij het destijds kort daarvoor ingebruik genomen Stafgebouw van de Groep Lichte Vliegtuigen gebouw 33 in het Wallaard Sacrékamp te Huis ter Heide te kunnen behouden, is deze machine in Nederland na honorering van het verzoek door de vertegenwoordiger van de M.A.A.G. in Nederland achtergebleven.

Tegenwoordig maakt deze unieke machine deel uit van de collectie van het Nationaal Militair Museum op het voormalige Soesterberg.





Uit dezelfde Hiller Raven diaserie als boven komt ook
deze interessante close up.
Het geeft een kijkje in de smalle behuizing van de
Hiller Raven bemanningsleden met o.a. het simpele
instrumentenpanel en de stick voor het vliegergedeelte;
de zittingen waren voorzien van echt lederen kussens.
Op de foto wordt getoond op welke manier men
de deur van het cockpitgedeelte kon openen.
Zelfs de taktische registratie (8A-216) had men op
de deur aangebracht.