Grumman Avenger TBM-3W2

Terug

Taak                                                 korte afstand onderzeebootbestrijding 

Operationeel                                   1953 - 1961

In gebruik bij                                  VSQ-1, VSQ-2 en VSQ-4

Motor                                                Wright GR2600 stermotor van 1750 pk.

Prestaties                                        max. snelheid 419 km/u; kruissnelheid 242 km/u, vliegbereik 1625-1818 km, leeggewicht 4853 kg, maximum gewicht 7602 kg, bewapening boordmitrailleur en 950 kg bommenlast; bemanning 4 crewleden                                      



In 1953 werden ten behoeve van de onderzeebootbestrijding de Fairey Firefly vervangen door een flink aantal Grumman Avenger vliegtuigen van het type Avenger TBM-3W2 (verkenningsvliegtuigen) en Avenger TBM-3S2 (aanvalsversie).
Vanwege de snelle uitbreiding van de Russische vloot in de jaren na 1950 vormde het agendapunt "uitbreiding van de onderzeebootbestrijding" binnen de NAVO een hoge prioriteit.
Met materiële hulp van de Verenigde Staten via het Mutual Defence Assistance Program, beter bekend als het MDAP hulpprogramma, werden de diverse Europese NAVO landen versterkt en voorzien van dikwijls overtollig of uitgefaseerd Amerikaans materieel.

Om onderzeebootbestrijding in teamverband en op korte afstand op zee te kunnen uitvoeren leverde de Amerikanen ons land 34 vliegtuigen van het type Grumman Avenger TBM-3S2 (S voor Strike) en 24 machines type Avenger TBM-3W2 (W voor Warner).

De toestellen kwamen bij de Marineluchtvaartdienst (MLD) de verouderde Fairey Firefly vervangen.

De Grumman Avenger Warner versie was te herkennen aan de grote radarbult onder de romp, een zgn. APS searchradar bestemd voor het op lage hoogte opsporen van onderzeeboten.
Deze Avenger TBM-3W2 ,ook wel de Avenger Hunter genoemd, bestond uit een 4 koppige bemanning.
Was er door de Avenger Warner een contact gemaakt met een mogelijk doelwit, dan kwam daarna de andere Avenger versie, de TBM-3S2 Strike uitvoering in beeld om vervolgens het object te kunnen vernietigen. Deze Avenger uitvoering kreeg dan ook de bijnaam van Avenger Killer.

Als wapenlast beschikte de Avenger over 4 dieptebommen, verder was er ruimte voor twee tot maximaal 6 sonorboeien welke onder de vleugels werden meegenomen.

Ook waren er ophangpunten voor markeerlichten, oefenbommen en konden de vliegtuigen doelraketten op launchers meenemen.
Op 15 januari 1954 vond op het Marinevliegkamp Valkenburg de officiële presentatie plaats van de Grumman Avenger bij de Marineluchtvaartdienst (MLD).
In februari 1954 ontving het marinesquadron VSQ-4 daarna als eerste MLD squadron de Grumman Avenger.
Bedoeld om als boordsquadron vanaf het vliegkampschip "Karel Doorman" te opereren werd de taak van het VSQ-4 kort na de invoering van de nieuwe onderzeebootbestrijdingsvliegtuigen gewijzigd in het marine opleidingssquadron voor de Avenger met als thuisbasis Marinevliegkamp Valkenburg.

Alle toekomstige bemanningen voor het andere nieuwe Avenger marinesquadron, VSQ-2, werden door deze wijziging bij het VSQ-4 opgeleidt.
De Grumman Avenger werd, ondanks enkele ernstige ongevallen, in de gelederen bij de Marineluchtvaartdienst een breed gewaardeerd vliegtuig, zowel onder het onderhoudspersoneel als bij de vliegende bemanningen. 

Voor het onderhoudspersoneel was de robuuste machine gebruikersvriendelijk in het onderhoud, overzichtelijk van aard terwijl er gemakkellijk aan de machines kon worden gesleuteld.
Voor de piloten en overige bemanningsleden gold de Avenger als een vliegtuig met prima vliegeigenschappen, wendbaar en weinig storingsgevoelig. De cockpit was ruim en overzichtelijk ingedeeld, terwijl het extra verstevigde landingsgestel, de wielen klapten naar buiten toe in de vleugelonderkant weg, een stevige (dek)landing gemakkellijk konden weerstaan.  

Eind 1957 werd door de marineleiding besloten om de Fairey Firefly van VSQ-1 (op de Nederlandse Antillen) en van VSQ-5 (in Nederland) over te hevelen naar het op Nederlands Nieuw Guinea gestationeerde VSQ-7. 
Als derde marinesquadron zou het VSQ-1 op de Nederlandse Antillen nu ook nog de beschikking krijgen over de Grumman Avenger.
Eind 1957 werd met de Engelsen overeengekomen dat de MLD 20 bij de Royal Navy overtollig geworden Grumman Avenger vliegtuigen overnam.
Deze Avenger order bestond uit 2 verschillende versies, 10 vliegtuigen van het type Avenger TBM-3E (registraties U20 t/m U28 en de U30) en 10 exemplaren van het type Avenger TBM-3E2 (registraties U29 en U31 t/m U39).
Van deze laatste serie werden de vier laatste vliegtuigen (U36 t/m U39) bestemd voor reserveonderdelen (nooit gevlogen) en ondergebracht bij het Marine Luchtvaarttechnisch Bedrijf op marinevliegkamp de Kooy.


Herkenbaar aan de romprugkoepel werd deze eenvoudigere Avenger E uitvoering, (E van Easy), vervolgens verdeeld over de nu 3 marinesquadrons van de MLD, VSQ-1 op Hato en de overige squadrons VSQ-2 en VSQ-4, en veelvuldig ingezet voor diverse taken.
Zo gebruikte men de Avengers als lesvliegtuig, voor OSRD reddingsdiensten, als schietdoelsleepvliegtuig (manchesleper)en zelfs als fotokist.

Helaas viel in 1960 al het doek voor de Avenger bij het eerste marinesquadron, het VSQ-4, toen, ter voorbereiding op de komst van de nieuwe Grumman Tracker in augustus van dat jaar, in de maanden juni en juli werd gestopt met het operationeel vliegen met de Grumman Avenger.
In 1961 werd definitief afscheid genomen van de Grumman Avenger in operationele dienst bij de Marineluchtvaartdienst.
Squadron VSQ-2 werd op 30 januari 1961 op non actief gesteld.
Op vliegveld Hato in de Nederlandse Antillen bleef het VSQ-1 het laatst overgebleven MLD Avenger squadron totdat ook hier de modernere Grumman Tracker tegen het einde van 1961 de Avengers kwam vervangen.

Met weemoed nam het marinepersoneel afscheid van deze legendarische jager. 
En zoals gebruikelijk was voor die tijd.....er werd helaas geen enkel exemplaar bewaard voor het nageslacht.
De meeste Avengers vonden hun einde bij de lokale sloopbedrijven op zowel Hato op Curacao als in Nederland op marinevliegkamp Valkenburg en marinevliegkamp de Kooy.



 

de grote APS radarbult onder de romp laat er geen
misverstand over bestaan dat we op deze foto
te maken hebben met een Avenger TBM-3W2
"Warner".

Deze Avenger versie was speciaal bedoeld voor
het opsporen cq. opjagen en localiseren van
onderzeeboten; in luchtvaartkringen kreeg
deze versie de toepasselijke bijnaam van
de Avenger Hunter; op de foto een "hunter"

van VSQ-2 vlak voor de touch down op
de thuisbasis 
de "Karel Doorman".
foto coll Prudent Staal





    een Avenger Warner klimt laag over zee weg kort
    na de start vanaf de Karel Doorman.

    vlak hierna start een Avenger Strike uitvoering;
    meestal bestonden de Avenger oefenmissies  
    uit minimaal 2 toestellen, waarvan een Warner
    en een Strike versie. 
    Het opsporen van onderzeeboten gebeurde door
    de Warner of Hunter versie, waarna de Avenger
    Strike of Killer daarna het object probeerde te
    vernietigen. 
    Geregeld kwam het voor dat één van de Avenger
    toestellen bij de pre-flight voor het opstarten een
    mankement vertoonde, waardoor het op het
    laatste moment toch niet kon starten.
    Een nadelig gevolg hiervan was dat de gehele
    missie (ondanks dat de andere Avenger wel
    in orde was) moest worden afgelast.
    De toestellen opereerden immers als één team.