Supermarine Sea Otter ASR II

Terug



Zonder twijfel kunnen we de Vickers Supermarine Sea Otter ASR.II rangschikken in de lijst van meest onbekende en onderbelichte vliegtuigen van onze Marineluchtvaartdienst.
En dat terwijl deze vliegtuigen, met hun uiterst merkwaardige en opvallende vorm, een zeer belangrijke rol hebben gespeeld in de opbouw van de Opsporings- en Reddingsdienst (OSRD) organisatie van de MLD.
Tevens zijn de knalgele tweedekkers van grote waarde gebleken tijdens de massale hulpactie's welke gedurende de Watersnoodramp in Zeeland in februari 1953 op touw werden gezet.
Met dit beknopte overzicht hopen we desalniettemin deze Vickers Supermarine Sea Otter ASR.II hiermee onder jullie aandacht te brengen met de bedoeling deze nuttige amfibie tweedekker vliegtuigen uit de vergetelijkheid te halen.
Gezien de staat van dienst hebben deze voormalige "redders in nood" zeker meer aandacht in de Nederlandse luchtvaart verdiend!

In 1949 werden 6 toestellen aangeschaft ten behoeve van het uitvoeren van de OSRD taken. Een belangrijke taak, die op dat moment werd uitgevoerd door 3 North American Mitchell B-25's.
De Sea Otter, een tweedekker amfibievliegtuig ontwikkeld uit de Supermarine Walrus, had z'n sporen reeds meer dan verdiend bij de Royal Navy tijdens de vele zee-operaties in de 2e Wereld Oorlog.
De grote verschillen met z'n voorganger, de Walrus, kenmerkten zich vanwege een krachtigere motor (Bristol Mercury XXX stermotor van 855 pk), een groter vliegbereik (1160 km) en vanwege de duwschroef motoraandrijving (i.p.v. een trekschroef bij de Walrus).

Het prototype van de Vickers Supermarine Sea Otter vloog reeds in augustus 1938; echter pas midden in het oorlogsgeweld van W.O. 2 (juli 1943) werd met het eerste serietoestel de eerste testvlucht uitgevoerd.
Het vliegtuig kenmerkte zich vanwege de geheel van metaal ontworpen romp, de dubbeldeks vleugels (die naar achteren toe konden worden opgevouwen en waren opgebouwd uit metalen liggers gecombineerd met houten ribben), een intrekbaar landingsgestel, de opvallende 3 bladige propeller (aangebracht in een gondel in de bovenste vleugel) en de kenmerkende stabilisatiedrijvers welke onder de vleugeltips waren gemonteerd.
En dan waren er natuurlijk nog de aangebrachte rails, zeker ook een opvallend kenmerk, welke langs de rompneus waren bevestigd.
Deze dienden speciaal voor de houvast van de drenkelingen etc. ( tijdens reddingen kon men zich simpel vastklampen aan de romp.) 

De eerste serie van 6 vliegtuigen waren allen occasions en hoofdzakelijk afkomstig uit het burgerregister.
In 1950 daarentegen volgde nog een extra order van twee aanvullende Sea Otters ( fabrieksnieuw) welke, in tegenstelling tot de eerste serie, waren voorzien van een intrekbare haak onder de romp als extra flightsafety voor reddingsoperaties vanaf de Karel Doorman.

Maar ook Sea Otters uit de eerste serie hadden daarvoor al geopereerd vanaf de Karel Doorman, op 2 januari 1950 ging er voor de eerste maal een Sea Otter mee aan boord voor een reis naar "de West".
De Sea Otter fungeerde daarbij als OSRD kist bij vliegongevallen welke zich op grotere afstand van de Karel Doorman zouden kunnen voordoen.
Tijdens deze reis werd door de Marineleiding vooral het ontberen van een vanghaak bij de Sea Otter als een groot gemis ervaren.
In de loop van 1950 werd bij de bestelling van de twee extra vliegtuigen deze extra voorziening aan de wensenlijst van de MLD toegevoegd. 
Na een missie moest een Sea Otter nu op een nogal ongebruikelijke manier aan boord worden teruggebracht.
Na een vlucht landde het amfibievliegtuig in de directe nabijheid van de K.D. op zee, waarna een sloep de machine daarna kort in een positie naast het schip ter hoogte van de boordhijskraan manoeuvreerde.
Vervolgens hees de kraan de Sea Otter uit het water op het dek. 

Zoals al eerder vermeld, ook tijdens de Watersnoodramp in februari 1953 hebben de Sea Otters (op dat moment in gebruik bij VSQ-8) een belangrijke rol gespeeld bij het evacueren van burgers uit de ondergelopen polders op de Zeeuwse eilanden.
Grote aantallen gedupeerde inwoners werden uit hun dikwijls benarde posities bevrijd en naar droger gelegen gebieden vervoerd, terwijl gewonden direkt naar Marinevliegkamp Valkenburg werden overgebracht.
Indien de Sea Otters niet zelf in aktie konden komen om tot evacuatie over te gaan, dan werd de hulp van een helikopter ingeroepen via een coördinerende Lockheed Harpoon van de Marineluchtvaartdienst.
Dat de landingen op de ondergelopen polders niet altijd zonder gevaar waren, bleek toen op 2 februari 1953 een kist tijdens een reddingsaktie bij de waterlanding werd beschadigd door het onder water staande en onzichtbare prikkeldraad, waardoor een aantal lekken in de romp ontstonden.
Ternauwernood kon de Sea Otter gelukkig bij de start daarna genoeg lift krijgen om die dag de hulpvluchten te kunnen voortzetten.
Naast de vele evacuatievluchten bewezen de Sea Otter amfibie's ook hun grote waarde dankzij de massale voedsel- en goederendroppings in de dagen en weken daarna.

Tenslotte werd de Sea Otter geregeld gescrambled bij vliegongevallen en andere calamiteiten ( scheepvaart en strandtoerisme) voor de Noordzeekust, vooral bij de diverse Fairey Firefly en Sea Fury ongevallen werden de Sea Otters van VSQ-8 dikwijls ingezet.

In augustus 1953 werd besloten om de inmiddels verouderde Supermarine Sea Otter ASR.II bij de OSRD air rescue missies te gaan vervangen en buiten gebruik te stellen.
In 1954 werden de OSRD vluchten tijdelijk overgenomen door een tweetal Catalina PBY-5 amfibie's, later werden deze taken overgenomen door de Sikorsky S-55 helikopters.
Het overgrote deel van de Sea Otters kreeg hierna nog een nieuwe carriere in de burgerluchtvaart.
Spijtig genoeg moeten we tenslotte concluderen dat, ondanks de belangrijke rol die de Sea Otter heeft gehad in onze luchtvaartgeschiedenis, het nog steeds ontbeert aan een exemplaar van deze unieke "redder van weleer" in de collectie van het Nationaal Militair Museum.
Misschien een leuke uitdaging voor de toekomst voor de beleidsmakers van dit mooie museum!